Sonnet

Onder het rokje geel en wit
stralen de benen van de dame.
Doordat zij samen hier kwamen
is het dat ik in een heimelijke hemel zit.

Ogen als oceanen, golvend blonde haren
waar een mannenhart laverend tegen wind
zijn op en ondergang vindt
met maar één gedachte: baren.

Haar zoontje speelt los van plaats en tijd
terwijl ik steels haar aanschouw,
betoverd door zoveel schoonheid.

Niet dat ik nu opeens van haar hou;
voorbestemd, dit moet zo zijn, die gekkigheid.
Nee, ze is alleen een prachtig mooie vrouw.

Volgende: Vertraagd
Vorige: Afstand